Het was zondag 22 juni, vorig jaar. Ik liep met 300 anderen over een pad op Terschelling, naar een plek die Het Eikenbosje heet. We hadden onze vouwfietsjes netjes langs het fietspad verderop gezet, en liepen naar een bosrand. Er was daar geen podium, er was daar geen theatertent, er was daar eigenlijk alleen een open plek in het bos. Waar ons OAK was beloofd, voorstelling van Nynke Laverman en haar partner (in music) Sytske Pruiksma.
Ik kwam net voordat we de speelplek betraden Martijn nog tegen – audiotechnieker extraordinaire, ik deed jaren geleden een bandtourtje met hem – die uitstraalde dat hij ook omringd door bomen en stuifzand het geluid echt wel op niveau ging krijgen.
In het uur hierna gebeurde iets magisch, Sytske speelde, Nynke vertelde en zong, een verhaal van vier windrichtingen en de eik, een verhaal van natuur om ons heen én diep verweven met ons menszijn. En de natuur speelde mee. Vogels sloten zich aan bij de vogelgeluiden die in de muziek klonken, de wind was stil als wij dat ook waren, de stem van Nynke was onderdeel van alles om ons heen, de bomen, de grond, de lage duinen iets verderop, de woeste zee daarachter.
De houten bankjes waren speciaal voor de voorstelling neergezet, alle audiobenodigdheden zouden een dag later ook weer netjes in het busje zitten, maar het decor, de natuur van Terschelling, zal altijd blijven staan.
Terwijl wij genoten van OAK, gebeurden op tientallen plekken op het eiland andere dingen, theater, poezie, muziek, dans, strand kan decor zijn, de zee een soundscape, de zon en de wind en de eventuele regen onderdeel van de ervaring. En in of op of bij het festivalhart was het ook heel goed mogelijk je zondagavond wild dansend door te brengen.
Ik werd geraakt door Oerol, door wat ik zag en meemaakte, door de mensen die ik sprak, door de sfeer, meer dan ik vantevoren verwacht had. Dat komt trouwens ook omdat Terschelling een eiland bleek te zijn, en ik niet zo van de bootjes, boten en veerponten ben. Omdat ik een grote voorkeur heb voor grond onder mijn voeten, en ten allen tijde de mogelijkheid uit te kunnen stappen of te ontsnappen anderszins.
Maar zelfs die Doeksen-boottocht, zaterdagnamiddag, bleek vreugdevol. Een man hielp me met een stukje herstel aan mijn fietsje (inclusief ‘zwarte klauwen’ van de kettingsmeer), de golven hielden zich rustig, de zon schilderde prachtige zilveren vlekken op de Waddenzee. En meeuwen probeerden me van alles duidelijk te maken, ik spreek nauwelijks Meeuws maar hoorde in elk geluid iets van welkom.
Soms levert een onverwacht mooie ervaring een idee op, zoals ooit de gedeelde humor en lol met Hans Sibbel 17 jaar lebbisenjansen opleverde, zoals alles dat ik de afgelopen jaren deelde met de vrouw die ik de allerliefste noem me op het idee bracht te vragen of ze eventueel wellicht met me wilde trouwen. Hetgeen gebeurde (!!), zo ongeveer halverwege zomer 2025 en Oerol van deze week.
De ervaring beschreef ik u hierboven, het idee dat ik kreeg was: in juni 2026 niet alleen (zo vaak mogelijk) op Terschelling spelen, maar ook op zoveel mogelijk verschillende locaties. In mijn voorstel aan het festival noemde ik mezelf (alvast) keunstner-yn-residensje. Ondanks of dankzij dat werd het idee in enthousiasme ontvangen, en zou ik 13 keer gaan spelen, een speciaal voor het festival bedachte vorm, de halfjaarsconference, de Oerolversie.
Ik speel elk jaar, al zo’n jaar of 35, een oudejaarsvoorstelling. Dit jaar heet de voorstelling Schaamteloos, omdat de mannen die dat voorvoegsel elke dag weer verdienen in aantal en aanwezigheid en macht toenemen.
Omdat ik me daar op allerlei manieren zorgen over maak en dus, zoals al vaker, zoek naar manieren om het daar over te hebben (met comedy, zeker, maar andere tonen zijn steeds meer nodig) en naar manieren waarmee mensen hun betrokkenheid kunnen tonen, waarmee mensen zonder al die macht en al dat geld toch hun invloed kunnen laten gelden.
En omdat het festival zich afspeelt op een moment dat het jaar nog niet eens op de helft is, een moment dat ons nog veel staat te wachten – de betreurde Jeroen van Merwijk zou zeggen ‘veel meegemaakt, ook leuke dingen…’ – leek die halfjaarsconference me wel gepast.
Een beeld van het jaar tot nu toe, de wereld waarin we leven, gecombineerd met iets dat ik het Oerolgevoel noem, en waarvan ik niet weet of het bestaat. Laat staan of ik het de rest van het jaar over Nederland kan gaan verspreiden.
Eerst maar eens spelen, Dolluf…
Zaterdagochtend vroeg was ik met mijn volledige creatieve team (technieker ‘Smoky’ Henk en allerliefste ‘Tricky’ Jitske) in het Bostheater. Henk deed, met Maarten van Oerol, audiodingetjes, ik wist een speciaal aangeschaft felrood buitenkleed aan de bosgrond te bevestigen.
Ik vind het altijd mooi om te zien dat bands die over de wereld touren, waar ze ook spelen, op hun eigen vloerkleden staan. Meestal oud en bevlekt, maar toch een stukje vertrouwde grond onder de voeten, of je nou in Utrecht speelt of Helsinki of Boston.
De backstage van het Bostheater was een soort halfopen tent, er stond een oude bank, er was water en koekjes en een koffie-apparaat, Jits keek uit naar wat bekenden, waaronder een ‘echte VVD-er’, die een van de voorstellingen die dag zouden gaan zien.
Half tien: het publiek dat al stond te dringen achter een touw mag naar binnen, mensen vinden houten bankjes en stukjes bosgrond, sommigen hebben een kussentje of deken mee, bijna iedereen heeft sensible shoes aan, dito kleding en een regenpak of poncho in de buurt voor het geval dat.
Die hard Oerolistas laten zich door geen enkel weertype weerhouden, sterker nog, ik denk dat ze zich het allermeest Oerol voelen áls ze, ondanks windvlagen en regenbui 50 minuten in die elementen blijven zitten om een experimentele dansvoorstelling of een ‘monoloog over dieppersoonlijk leed vertaald naar hoop en poezie’ tot zich te nemen.
En deze driehonderd hebben zin in een uur stand up, improvisatie, poezie en activisme. Michele David’s Running stuurt met het ‘podium’ op, applaus, blije gezichten, ik leg uit hoe ik hier terecht ben gekomen (zie boven) en binnen de kortste keren vult het bos zich met schatergelach.
Ongeveer op het moment dat ik op ging kwamen drie jongedames min of meer fietsend over een bospaadje via de backstage in mijn voorstelling terecht. Ze hadden zich laten leiden door google maps, en waren verwaaid, verward en net niet verdwaald.
Noem mij maar naïef, te links of te lief. Bedenk gerust andere namen. Ik zoek naar de taal, voor 'n soort van moraal: en geloof nog steeds in samen.
Later in de week vertelde ik mijn publiek over de plukjes mensen die ik, elke dag weer, op het eiland tegenkom, op zoek naar een locatie, overleggend, tussen blij van zin en wanhopig in. Ik suggereerde ook dat de organisatie minimaal één locatie heeft bedacht die helemaal niet bestaat, gewoon om dit Oerolfenomeen van zoeken en zuchten in stand te houden.
En ja, ik heb zelf tíjdens een van mijn optredens twee Duitstalige passanten doorverwezen naar de meest oostelijke punt van de Boschplaat waar iets ganz Grossartigs und völlig unerwartet stond te gebeuren.
Dat fietsen is ook nog een verhaal apart: het lijkt erop dat bijna iedereen op Oerol fietst (goed bezig!) maar dat er veel mensen bij zitten die een jaar of veertig geleden voor het laatst feitelijk gefietst hebben. De chaos is geregeld compleet: pelotonnetjes waar niemand langs kan en waarvan de leider eigenlijk geen idee heeft waarheen (laat staan waarvoor).
E-bikes die harder gaan dan de berijder aankan, mensen die geen idee hebben dat de Wegenverkeerswet ook geldt op Terschelling half juni, en groepjes die plotseling stilstaan op het fietspad, in overleg gaan, en dan jou, als passerende hardloper bijvoorbeeld, aankijken met een blik van ‘wat doe jij nou?!’
Ik heb in de loop van de week, op verzoek van de organisatie, nog een filmpje opgenomen waarin ik alle fietsers opriep tot voorzichtigheid, rekening houden met elkaar en iets van verkeersregels. Laat ik het zo zeggen: als je míj nodig hebt om mensen te beïnvloeden dan is er echt iets mis.
Die ochtend in het bos, maar ook op zondag – vol in de wind, op het strand bij Midsland, twee keer 350 mensen gezandstraald – en maandag – een duinpan randje Boschplaat, twee regenbuitjes, een paar mannen met tranen over de wangen door een gedicht over een moeder die de weg een beetje kwijtraakt – en dinsdag – een opslagloods op Kinnum, weer een paar theatervrienden in mijn publiek – mocht ik grote hoeveelheden comedy over de mensen uitstorten, kon ik mijn woede over populisme en de macht van techbro’s en algoritmes delen, maar evengoed een zeer alternatieve opstelling voor Oranje.
En het feit dat ik onlangs mocht optreden met Willem Alexander op de eerste rij. En hoe politici er een gewoonte van maken een klein deel van de realiteit te gebruiken om hun punt te maken, waarna er ‘oplossingen’ ontstaan die in de feitelijke, volledige realiteit evenveel opleveren als, zeg, het ministerschap van Femke Wiersma.
En tijdens elk van mijn voorstellingen, vandaag twee keer bij de StayOkay, morgenochtend een extra in het Festivalhart en zaterdagavond de allerlaatste op de speelplek van de Veenfabriek, zoek ik samen met mijn publiek naar het Oerolgevoel. Bestaat dat, wat is het, hoe voelt het?
Afgelopen dinsdag was het tien jaar geleden dat Brits parlementarier en activist Jo Cox door een extreemrechtse fanaat werd doodgestoken. Haar motto, dat jaar ook het thema van mijn oudejaarsvoorstelling, was ‘we have so much more in common than that which divides us’, we hebben als mensen, als inwoners van een land, zoveel meer met elkaar gemeen dan wat ons verdeelt.
Op Terschelling, deze week, voel ik dat heel veel mensen heel veel met elkaar gemeen hebben. En toen ik woensdag (in de regen!) het prachtige, hilarische én confronterende AZC De Musical zag werd ik gesterkt in dat gevoel.
Als reacties op mijn vraag naar het Oerolgevoel krijg ik dingen die te maken hebben met de plek (de natuur overal om je heen, de wandeling naar de locatie) maar vooral dingen als samen en saamhorigheid, ‘een beetje op elkaar letten’, ‘een week op een andere planeet zijn’, hoopvol, betrokken. Empathie. Vriendschap.
Ik merk, omdat ik zoveel meer mensen spreek dan normaal na mijn oudejaarsvoorstellingen, dat er zowel behoefte is aan iemand die, desnoods in felle bewoordingen, zegt wat er gaande is, wat er misgaat, en wat onze rol is als we dat willen veranderen.
Maar ook veel behoefte aan wat meer menselijkheid, wat meer betrokkenheid, wat meer liefdevol tegenwicht aan de becapuchonde ‘Wij zijn Nederland!’-schreeuwers en de politici die daarop meesurfen. Of de haat en tegenstellingen juist opstoken.
Oerol is maar 10 dagen per jaar, en maar één plek (oke, met tientallen oogverblindend mooie locaties, dat wel). Maar ik geloof oprecht dat ons hele land het Oerolgevoel nodig heeft.
Zoals ik het in een gedicht omschrijf:
Noem mij maar naïef
Te links of te lief
Bedenk gerust andere namen
Ik zoek naar de taal
Voor ’n soort van moraal:
En geloof nog steeds in samen.