Oerol, Terschelling – Hoe lang kunnen we nog blijven praten over inclusief theater? Die vraag hing in de lucht tijdens de professionalsbijeenkomst die Oerol op 19 juni organiseerde onder de titel Inclusief theater: uitzondering of uitgangspunt? Makers, programmeurs, artistiek leiders, opleiders en fondsen kwamen samen om onder leiding van dagvoorzitter Thijs de Lange te bespreken hoe een inclusiever podiumkunstenveld eruit kan zien. De conclusie was eensgezind: de discussie over het waarom ligt nu wel achter ons. De vraag is nu hoe we in beweging kunnen komen.
De bijeenkomst was een vervolg op de eerdere professionals bijeenkomst tijdens Oerol 2025. Waar we toen vooral spraken over de noodzaak van inclusie en de randvoorwaarden van inclusief werken, lag de nadruk dit jaar op de vraag welke concrete stappen nodig zijn om die inclusie structureel te verankeren. Volgens artistiek directeur Sabine Pater van Oerol Festival is het belangrijk dat de sector niet blijft steken in het steeds opnieuw uitleggen waarom inclusie belangrijk is. ‘De beweging is al ingezet,’ stelde zij. De uitdaging ligt nu in het onderzoeken wat er nog ontbreekt en hoe festivals, theaters, gezelschappen, opleidingen en fondsen gezamenlijk kunnen bouwen aan een inclusiever kunstenlandschap. Daarbij benadrukte ze dat inclusie niet alleen een kwestie van rechtvaardigheid is, maar ook van artistieke kwaliteit. ‘Meer perspectieven leiden tot rijkere en interessantere kunst.’
De kunstenaar centraal
Choreograaf Chloe Loftus en performer Florent Develsaver, makers van The Air Between Us die tijdens Oerol te zien was, maakten duidelijk dat inclusie niet voor iedereen hetzelfde betekent. Loftus benadrukte het belang van toegankelijkheid. Wie iedereen dezelfde artistieke kansen wil bieden, moet accepteren dat daarvoor soms extra tijd, ondersteuning of middelen nodig zijn. Toegankelijkheid is volgens haar geen extra service, maar een voorwaarde voor kwaliteit. Develsaver plaatste tegelijkertijd vraagtekens bij de manier waarop inclusie vaak wordt besproken. Hij verzet zich tegen het idee dat kunstenaars met een beperking in de eerste plaats als ‘inclusieve makers’ worden gezien. ‘Op het podium ben ik een kunstenaar,’ zei hij. En net als iedereen zou ik de kans willen hebben om een opleiding te volgen om me artistiek te kunnen bewijzen. ‘Mijn beperking is onderdeel van wie ik ben, maar niet de kern van mijn artistieke identiteit.’
De spanning tussen toegankelijkheid en kunstenaarschap liep als een rode draad door de bijeenkomst. Hoe zorg je voor erkenning van verschillen zonder kunstenaars te reduceren tot hun beperking?
Voor danser en choreograaf Dennis Massar is zijn doofheid niet een artistieke bron. ‘Mijn doofheid komt met een stukje cultuur, de dovencultuur. Je spreekt een andere taal, gebarentaal.’ In zijn werk onderzoekt hij hoe gebarentaal en dans kunnen samensmelten tot één nieuwe bewegingstaal. Daarmee verzet hij zich tegen een praktijk waarin toegankelijkheid vaak als een toevoeging naast de voorstelling wordt georganiseerd. Tijdens zijn opleiding moest Massar voortdurend uitleggen wat hij nodig had om lessen te kunnen volgen, omdat systemen nog altijd uitgaan van een norm.
Volgens Massar begint verandering daarom bij een andere vraag. Niet: kan iemand dit wel? Maar: hoe kan iemand dit doen? ‘Niet alles hoeft meteen in één keer goed, ook kleine aanpassingen kunnen veel betekenen.’ Ook artistiek leider van Tall Tales Maartje Bonarius beschreef hoe een lichamelijke beperking haar praktijk drastisch veranderde. Nadat zij door een zenuwaandoening in een rolstoel terechtkwam, moest ze haar carrière als circusartiest opnieuw vormgeven. Inmiddels onderzoekt zij opnieuw haar positie als performer. Maartjes verhaal onderstreepte dat inclusie niet alleen gaat over toegang krijgen tot bestaande structuren, maar ook over de ruimte om jezelf als maker (opnieuw) uit te vinden.
‘Meer perspectieven leiden tot rijkere en interessantere kunst.’
Cormac Burmania van ArtEZ University of the Arts constateert dat ‘er een enorme drempel is, gevoelsmatig maar soms ook fysiek, om onze instituten in te komen voor educatie. Het helpt als inclusief theater genormaliseerd is, dat het gewoon theater is, en dat het vanzelfsprekend is dat we een toestroom krijgen van mensen die graag het theatervak of het dansvak in willen.’
Voor Erik-Ward Geerlings, artistiek directeur van Theater Babel, ligt de waarde van inclusief theater niet in voorstellingen die expliciet over beperkingen gaan. Spelers nemen volgens hem altijd hun eigen blik op de werkelijkheid mee het podium op, en juist die werkelijkheid maakt het werk artistiek interessant. In de praktijk ziet hij dat spelers met uiteenlopende achtergronden een directheid en authenticiteit meebrengen die moeilijk te reproduceren is via traditionele acteertechnieken. Opvallend genoeg zijn het binnen gemengde ensembles soms juist de professioneel opgeleide acteurs die zich opnieuw moeten verhouden tot hun vak. ‘Met allemaal technieken kom je daar niet,’ zei Geerlings. De ontmoeting met spelers die vanuit hun eigen realiteit werken, dwingt hen volgens hem om intuïtiever, opener en minder gefilterd te spelen.
Inclusie begint vóór de programmering
Ook Jordy Dik, artistiek leider van Compagnie Tiuri, legde de nadruk op talentontwikkeling. Volgens hem begint inclusie niet bij festivals of programmeurs, maar veel eerder. ‘Als mensen geen toegang hebben tot opleidingen, dan komen ze ook niet terecht op podia.’ Hij wees erop dat het gesprek over inclusie vaak blijft steken in wat er allemaal nog niet goed gaat. Begrijpelijk, vindt hij, maar niet altijd productief. Volgens Dik is het net zo belangrijk om te laten zien wat er al wél mogelijk is. Succesvolle voorbeelden kunnen andere organisaties inspireren en duurzame verandering versnellen. Dik stelt dat we moeten waken voor een te simplistische benadering van inclusie. Iedere maker, iedere beperking en iedere artistieke praktijk vraagt om een andere aanpak.
Tom Dello, artistiek en algemeen directeur van het No Limits Festival, plaatste de discussie in een internationale context. Volgens hem loopt Nederland nog altijd achter op landen als het Verenigd Koninkrijk, waar disability arts al veel langer een volwaardige positie inneemt binnen het culturele landschap. Dello verwees naar het social model of disability, waarin niet de beperking van een individu centraal staat, maar de barrières die de omgeving opwerpt. ‘Mensen worden beperkt door systemen, niet door hun beperking.’ Volgens Dello zijn zowel emancipatie als normalisatie nodig. Festivals als No Limits spelen een belangrijke rol in het zichtbaar maken van makers en het openen van deuren. Tegelijkertijd moet het uiteindelijke doel zijn dat kunstenaars met een beperking niet afhankelijk blijven van aparte circuits, maar vanzelfsprekend onderdeel worden van reguliere opleidingen, podia, festivals en gezelschappen.
Stop met praten, kom in actie
Vanuit het Bartiméus Fonds sprak Minke Scheltema haar frustratie uit over het trage tempo van verandering. Mensen met een beperking vormen een aanzienlijk deel van de samenleving, maar zijn nog altijd ondervertegenwoordigd in opleidingen, gezelschappen en culturele organisaties. Ook Yu Lan van Alpen van het VriendenLoterij Fonds wees op de verantwoordelijkheid van financiers. Wie bepaalt eigenlijk wat kwaliteit is? Welke makers krijgen toegang tot middelen, netwerken en ontwikkeltrajecten? Inclusie vraagt volgens haar ook om een kritische blik op de systemen die dergelijke keuzes vormgeven. Voor dagvoorzitter Thijs de Lange de aanwezigen uitnodigde voor alle voorstellingen* die in deze context te zien waren op Oerol, deed hij een oproep aan het veld: ‘Het wordt pas echt inclusief als de voorwaarden zo zijn dat iedereen die wil meedoen, die theater wil maken, ook daadwerkelijk mee kan doen. Dan is het belangrijk dat iedereen erbij helpt om inclusief theater verder te brengen en om in gelijkwaardigheid samen te werken.’
Ambitie
De aanwezigen maakten duidelijk dat de sector geen gebrek heeft aan kennis, voorbeelden of goede bedoelingen. Wat ontbreekt is structurele verankering en actie.
Voor Oerol ligt daar een duidelijke vervolgstap, bijvoorbeeld door initiatieven niet naast de reguliere programmering te laten bestaan, maar er onderdeel van te maken. Dat betekent toegankelijkheid vanaf het begin meenemen in productieprocessen, makers met een beperking zichtbaar opnemen in de reguliere programmering, kennis over inclusief werken actief delen met het veld en talentontwikkelingstrajecten aanbieden.
Op Oerol komen jaarlijks honderden professionals, wij spreken makers, programmeurs, fondsen en opleidingen. Samen met hen gaan we de komende tijd onderzoeken welke concrete ambitie we ons durven te stellen. Bijvoorbeeld over de vraag hoe het/ons podiumkunstenlandschap er over vijf jaar uitziet? Wanneer is succes bereikt? En wat hebben wij en de sector daarvoor nodig?
Zodat inclusief theater kan uitgroeien van een bijzondere uitzondering tot een vanzelfsprekend uitgangspunt.
Inclusief Theater is mede mogelijk gemaakt door een driejarige ondersteuning door Bartiméus Fonds, en Fonds1999.
* Alle voorstellingen die in deze context te zien waren op Oerol waren: Chloe Loftus Dance – The Air Between us, Tall Tales Company – Droplines, Dennis Massar – Hands, twee presentaties van residenties Inclusief Theater: Dominique Stevens – Leeglopen & Toni Kritzer – we read our pain as coordinates